Laat de plint niet aan het toeval over

Een actieve, gevarieerde plint is cruciaal voor de ontwikkeling van een aantrekkelijke stad. Daarbij mag ook een langere opbrengst voor de projectontwikkelaar geen taboe zijn, betoogt Eugène Franken.
markt in Zutphen

De onderste laag van bouwwerken, het deel dat je als voetganger op straat het beste ziet, staat volop in de belangstelling. Men noemt de stad op ooghoogte ook wel de plint. Bij stedelijke vernieuwing is vooral een actieve plint zeer begeerd. Men droomt dan van een langgerekt veelkleurig lint gevuld met aantrekkelijke economische en maatschappelijke voorzieningen, die liefst afgewisseld met bijzonder wonen en werken zorgen voor levendigheid en reuring.
Een actieve plint, die in hoog stedelijke gebieden bij voorkeur over meer verdiepingen dynamisch door gebouwen beweegt, draagt bij aan het goed functioneren van straten en pleinen. Zo’n plint werkt namelijk als verlengde van de openbare ruimte. Hij moet daarvoor wel beschikken over genereuze verdiepingshoogtes, die georiënteerd zijn naar de openbare ruimte, veel ingangen hebben en zich visueel onderscheiden van bovenliggende gebouwen. De bonus is een gebied met een unieke identiteit.

Ruimtelijke strategie

Het activeren van de plint is een aanlokkelijke ruimtelijke strategie omdat de kwaliteit van de leefomgeving nu eenmaal sterk afhankelijk is van voorzieningen en levendigheid. Volgens het Centraal Plan Bureau zien huishoudens een gevarieerd aanbod van hoogwaardige goederen en diensten als een van de belangrijkste argumenten om te kiezen voor een stad. Een aangename en aantrekkelijke openbare ruimte is dus erg belangrijk als je een vitale stad wilt zijn en blijven. Juist dat trekt nieuwe bewoners en bezoekers. En gebieden waar al veel mensen komen, trekken als vanzelf weer andere mensen aan. Mensen willen immers kijken en bekeken worden, elkaar tegenkomen en ontmoeten.
Maar het vullen van al die plinten met aantrekkelijke functies is niet eenvoudig. Er is op erg veel plekken een programma nodig. Hoe krijg je dat voor elkaar? Men worstelt daarmee wat af. Het valt niet mee om naast winkels voor dagelijkse boodschappen onderscheidende, vaak schaarse, meestal niet even liquide, barista’s, ateliers, werkplaatsen, makerspaces, ambachtslieden, bloemisten, cafébazen, creatieve industriëlen, yogastudio’s en fysiotherapeuten te vinden, om eens wat afvultrends te benoemen.
En als je ze eenmaal gevonden hebt, hoe houd je dan de regie, hoe garandeer je op lange termijn een samenhangende invulling?

Lagere opbrengst

Een onderbelicht alternatief hiervoor is het idee om eigendom, beheer en invulling van plinten onder te brengen bij een speciaal opgerichte plinten-organisatie. Dit kan een bedrijf of stichting zijn of een publiek-private samenwerking die vrij indeelbare plintruimte beschikbaar stelt voor een grote variëteit aan gebruiksmogelijkheden. De plintenorganisatie verzorgt de uitgifte en programmering in het gehele plangebied en kan daardoor in voorkomende gevallen genoegen nemen met een lagere opbrengst ten bate van het maatschappelijk belang. En niet onbelangrijk: functioneert als een marktmeester die gebruikers met elkaar verbindt, inspeelt op trends en nieuwe concepten.

zuidas

Zuidas wordt Amsterdam @X

Amsterdam @X Met deze naam heeft Eugène Franken de ideeën-wedstrijd gewonnen om een wervende internationale naam te bedenken voor de Zuidas.

Elke stad heeft zo zijn locaties waar zaken gedaan worden. In Amsterdam heet deze plek tegenwoordig de Zuidas. Zakendistricten dragen opvallend vaak een naam met een geografische aanduiding, zo ook in Amsterdam. Echter vertaald naar het Engels klinkt “South Axis” nu niet bepaald uitnodigend. Vandaar de opdracht een verbeterde naam te bedenken.

Zou je het wel veranderen dacht ik eerst, het is bepaald niet zonder risico een danig ingeburgerde naam te wijzigen. Je kan het ook als geuzennaam zien. De bestaande kracht gebruiken. Aan de andere kant biedt vernieuwing natuurlijk ook aanlokkelijke en desruptieve vergezichten.

Waarom benoemen we de Zuidas niet als “Eindhoven-Noord”? Het economisch zwaartepunt van Nederland is toch al tijden naar het zuiden aan het verschuiven. Het is slechts een kwestie van tijd voordat die nieuwe realiteit ook in ruimtelijke zin in de hoofdstad gaat landen.
In een cirkel van 150 km om Eindhoven heen zie je het enorme economische potentieel van een achterland met de focus op Europa. Heel anders dan een cirkel van 150 km om Amsterdam heen. De helft valt sowieso al in het water.
Maar vermoedelijk is een dergelijke reset is nu nog te provocatief om door het randstedelijke ego te laten verteren. Hoe louterend het ook zou zijn, aan een dergelijke graad van zelfreflectie is men waarschijnlijk nog niet toe. Met geringe winstkansen tot gevolg.

Vandaar dat ik mijn aandacht richtte op een andere merkwaardigheid in de naam Zuidas, Want waar vindt deze naam nu eigenlijk zijn oorsprong? Nou, in het stedenbouwkundig plan voor Amsterdam-Zuid van de architect Berlage. Daar komt namelijk een prachtige laan in voor die later de Minervalaan is gaan heten. Die laan eindigend op het Zuiderstation is de zogenaamde ‘Noord-Zuid-as’ in dat plan. Rond 1980 kreeg de verdere ontwikkeling van het gebied ten zuiden van dit station hierop geïnspireerd de werktitel Zuidas mee. De rest is geschiedenis.
Het gekke is alleen, dat als je aan de Zuidas denkt, je eerder de snelweg A10 en de wegen die parallel daaraan door het gebied lopen als definiërende richting ziet. De Noord-Zuid-as, de Minervalaan uit het plan Berlage staat daar loodrecht op en ligt nota bene buiten het gebied. De vlag dekt dus de lading niet. De Zuidas pronkt met andermans veren. Het blijkt een verweesd gebied wanhopig op zoek naar haar ware identiteit. Als dat conclusie is, het punt waar we zijn aanbeland. dan is de beste naam voorlopig die van ex-as, daar op x, bij x, @X, Amsterdam @X.

Plan Zuid van Berlage met de historische Noord-Zuidas, bij B het Zuiderstation

De stad in een kwartier

Wat als je de auto alleen uitzonderlijke gevallen nodig zou hebben, bijvoorbeeld om op vakantie te gaan en alle dagelijkse levensverrichtingen zich in de nabijheid van je woning zouden afspelen.

Er zijn zo van die momenten wanneer ik ‘s-avonds door de stad naar huis rijdt over drukke wegen vol uitlaatgassen waarop ik hardop denk: ‘Hoe is het in godsnaam mogelijk dat we anno 2020 de omgeving waarin we wonen, spelen, lopen, ademen maar blijven vervuilen omdat we massaal lange woon-werkafstanden in de auto voor lief blijven nemen.’

Een aantal vooruitstrevende grote steden is dan ook volop bezig zich te transformeren in de 15-minuten stad, waar alle primaire behoeftes zoals school, werk en winkels zich binnen een radius van 15 minuten te voet of op de fiets bevinden en het openbare gebied een grotendeels publieke groene invulling krijgt. Waarbij de meeste gebouwen multifunctioneel te gebruiken zijn en ook in het weekeinde volop worden benut.

Dat hyper-lokale model met minder stress in een groene omgeving met schone lucht en met een divers aanbod binnen handbereik verhoogt uiteraard de kwaliteit van leven aanzienlijk. Ook ontstaat het ‘cluster effect’ waar door kruisbestuiving tussen specialisten en hun concurrenten die werken in dezelfde buurt en de sociale netwerken van actieve bewoners versnelt innovatie ontstaat. Een belangrijke sleutel tot het succes van steden.

Het is een klein beetje terug naar de toekomst. In de jaren dertig was de fiets ook al het belangrijkste vervoermiddel van de stad. Vanuit nieuwe wijken moest je de belangrijkste werklocaties in een half uur fietsen kunnen bereiken dus werd bijvoorbeeld de uitbreiding van Amsterdam op maat van de fiets ontworpen door Cornelis van Eesteren. Zijn visie reikte maar liefst tot het jaar 2000 en bleek een verrassend robuust alternatief voor de onvoorzien met auto’s dichtslibbende stad.

Algemeen Uitbreidings- Plan Amsterdam 1935 Cornelis van Eesteren

Inmiddels wordt bij het ontwerp van de 15 minutenstad ingezet op multi-modaal transport in plaats van een uitsluitend op auto‘s of fietsen gebaseerd ontwerp. Deze nieuwe mobiliteitsaanpak met meer ruimte voor voetganger en fiets gaat zeker verschil maken in drukke binnensteden, maar het is ook weer geen panacee voor alle stedelijke ontwikkelingen. Grotere agglomeraties zijn nu eenmaal geen conglomeraat van autonome of homogene buurten en betaalbaar wonen blijft ook in de 15 minuten stad een achilleshiel. Want een betere, kwaliteitsvolle woonomgeving vergt behoorlijke investeringen en die zullen moeten worden terugverdiend met stijgende huren en vastgoedprijzen als gevolg.

Super Catharina

In het kader van de supervisie over de verdichting van de Eindhovense binnenstad stelt het internationaal opererende progressieve Nederlandse buro MVRDV voor de Catharinakerk met 55 meter op te tillen.

Ideeschets MVRDV optillen Catharinakerk

Je weet dat je een meer dan uitstekend idee te pakken hebt als het in een oogwenk mensen wakker schudt. Waarvan veruit de meesten instinctief hun onbegrip uiten.

Technisch is het optillen van de kerk prima te doen. Een nieuwe fundering eronder en wat hydrauliek doet de rest. De stabiliteit van het gebouw op de nieuwe hoogte moet nog wel even worden bekeken, maar is ook dat is conventioneel oplosbaar volgens een privaat gefinancierd rapport.

Je stadskerk de lucht in laat kennelijk niemand onverschillig. Maar de argumenten ertegen blijven steken in nostalgie. Het is dan ook een veel intelligenter idee dan je op het eerste gezicht zou zeggen.

Om te beginnen is de kerkfunctie door secularisering gemarginaliseerd en moet het rijksmonument dringend een nieuwe betekenis krijgen. Ook zijn grote ingrepen niet nieuw. Toen de middeleeuwse kerk niet meer voldeed is hij compleet vervangen door een veel groter 19e eeuws exemplaar, daarbij is ook de stedenbouwkundige situatie aangepast. Dus waarom zou dat nu een probleem zijn?

Daarnaast heeft het optillen gewoon praktische voordelen zoals een flinke hoeveelheid nuttig vloeroppervlak erbij op een dure centrale plek. En door zelf te transformeren tot een hoog gebouw wordt de relatie met de nieuw geprojecteerde torens gelijkwaardig. Dat zorgt voor een nieuwe laag met samenhang.

Het idee bouwt verder op lange tradities. Namelijk die van het ‘freilegen’, waarbij rommelige bebouwing die in de loop der tijd rond kerken was aangekoekt werd weggehaald om het gebouw weer in zijn volle glorie te kunnen aanschouwen.
Tel daarbij op de productieve rivaliteit met de nabijgelegen Paterskerk. De Augustijnen wisten zich financieel beperkt tot 1 toren maar plaatsen daarop wel het beeld Jezus Waaghals. Waarmee ze de sjieke tweetorige Catharinakerk de loef afstaken en herhalen dat nu met de eveneens gewaagde transformatie van hun complex tot het open bezinningscentrum DomusDela. Laat dat maar eens onbeantwoord.

Jezus Waaghals

Het succesvolle feuilleton van de Eindhovense City marketing kan hiermee een nieuw hoofdstuk schrijven. De iconische werking van deze ingreep, vooralsnog uniek in de wereld is instagramable. Dat ontbrak nog in de stad. Het intrigerende ding dat massa’s mensen trekt, waar influencers op af komen en dat bijdraagt aan een nieuwe identiteit. Als het omhoog krikken tergend langzaam wordt uitgevoerd heeft het fenomeen zelfs de potentie de Sagrada Familia van de lage landen te worden.

De weerstand tegen dit inhoudelijk sterke buitenissige idee illustreert dat zelfs in de Nederlandse hoofdstad van techniek en design innovatie met de inzet van techniek en design niet vanzelfsprekend is.


Lees de follow-up naar aanleiding van deze column over het bijzondere idee om de Catharinakerk in Eindhoven op te tillen op het onafhankelijke journalistiek platform Innovation Origins.

Eugène Franken voorspelt voor Innovation Origins hoe de architectuur er over twintig jaar uitziet

“De bouw is een hele archaïsche industrie”, zegt onze nieuwe columnist architect Eugène Franken. In zijn columns zal hij vanaf deze maand schrijven over de architectuur van de toekomst.

Door Emma van Nuland

Eugene Franken met boek Showing of Eindhoven in Fontys gebouw Tu/e

Eugène Franken is al 27 jaar werkzaam bij zijn eigen Architectenburo Franken. Buiten zijn carrière in de architectuur is hij ook werkzaam als secretaris bij Stichting Landgoed Kasteel Geldrop. Met twee boeken op zijn naam heeft hij al de nodige ervaring op het gebied van schrijven. Dit weekend komt zijn eerste column online bij Innovation Origins.

Wanneer begon jouw passie voor architectuur?

“Mijn vader werkte bij een architectenbureau waar hij veel ontwierp voor Philips. Hij werkte allround en hielp ook bij het uitzetten van de bouw. Als klein jongetje mocht ik al met hem mee. Mijn vader was in deze tijd ook al bezig met innovatie. Een groot verschil tussen ons is wel dat mijn vader veel technischer was. Ikzelf ben veel cultureler ingesteld.”

Je hebt al twee boeken geschreven. Het eerste over de geschiedenis van Landgoed Kasteel Geldrop. Je tweede boek Showing Of(f) Eindhoven gaat over architectuur in Eindhoven. Wat vind je het slechtste bouwproject in Eindhoven?

“Een minder project vind ik Parc Fontaine. Dat is een luxe appartementencomplex aan het stadswandelpark. Het slechte aan dit project is de naam. Fontaine was hoofd van groen in Eindhoven. Hij heeft flats in het wandelpark laten bouwen, deze hebben geen eigen tuin maar eigenlijk is het park hun tuin. Hij wilde het park heel graag groen houden. Parc Fontaine gaat hier helemaal niet over. De appartementen hebben onder andere een grote tuin met een hoog hek eromheen. Hiermee raak je het idee van Fontaine compleet kwijt.”

Er is vast ook mooie architectuur in Eindhoven. Wat vind je het beste bouwproject in Eindhoven?

“Veruit het beste project in Eindhoven vind ik de DomusDela. Dit was vroeger de paterskerk. Dit gebouw is van uitvaartbedrijf Dela, het is nu onder andere een ceremoniehuis. Dat is de plek waar Eindhoven is ontstaan. Het is dus een hele belangrijke plek. Het is echt schitterende architectuur met heel veel betekenis. Je moet hier zeker gaan kijken.”

Wat zijn volgens jou momenteel de interessantste innovaties op het gebied van architectuur?

“Het zijn er zo veel maar ik denk vergroening. Een voorbeeld daarvan is dakparken. Je gebruikt dan een plat dak, ruimte die je anders niet zou gebruiken, voor veel groen. Een mooi dakpark is dat in Rotterdam, dat is een van de grootste dakparken van Europa.”

Wat denk jij dat er voor innovaties aankomen binnen architectuur en bouw?

“Ik denk dat globalisering een groot thema zal zijn en robotisering natuurlijk. Bouw is een ontzettend archaïsche industrie. Hoe gebouwen nu in elkaar worden gezet, zo gebeurde dat vijf jaar geleden ook al. Dat gaat niet zo blijven. Er is bijvoorbeeld nog geen fabriek die gebouwen kan fabriceren op grote schaal. 3D-printen zal waarschijnlijk ook verder ontwikkeld worden.”

Een ontwikkeling met betrekking tot 3D-printen en architectuur is gebouwen printen met betonprinters. Denk je dat dit verder ontwikkeld gaat worden?

“Betonprinters werken helemaal niet. Je ziet alle laagjes zitten en er is een flexibiliteit van nul. 3D-printen gaat zich verder ontwikkelen maar niet met beton. Misschien wordt een gevel over twintig jaar wel gewoon geprojecteerd op een huis, dan kan je elke ochtend een nieuwe gevel kiezen. Hout wordt wel herontdekt. Hout is een fantastisch bouwmateriaal. Het houdt bijvoorbeeld CO2 vast. Er wordt momenteel al meer met hout gebouwd maar dit zal steeds meer gaan voorkomen.”

Gaan de ontwikkelingen in de architectuur vooral plaatsvinden rondom materialen?

“Nee, ik denk ook binnen circulair bouwen. Kalk is een voorbeeld. Kalk werkt een beetje hetzelfde als beton, maar als je het afbreekt is het te gebruiken als grondverbeteraar. Er komt natuurlijk ook veel ontwikkeling rondom het bouwproces.”

“Ik ben vaak iemand die voorop loopt. Ik kan nu iets voorspellen wat over twintig jaar waarheid is. Er is nog veel te winnen op het gebied van duurzaamheid en architectuur. Heel veel dingen die duurzaam lijken zijn dat bijvoorbeeld nog niet echt. Binnenkort verschijnt er van mij een column over kleefrijst en kalk als bouwmaterialen, hier zal ik nog niet teveel over verklappen.”

Zuidas

Building a better tomorrow together

@X Met deze naam heeft ir. Eugène Franken de ideeën-wedstrijd gewonnen een internationale naam te bedenken voor het zakendistrict de Zuidas in Amsterdam.

@X heeft alles in zich: krachtig en kernachtig, innovatief en internationaal:
AT X, Amsterdam AX.

De A van Amsterdam en de X van crossroad, place to be.

Maquette van de Zuidas met de nieuwe naam

Iedere hoofdstad heeft zijn locaties waar zaken gedaan worden, de plaats waar belangen ten gelde gemaakt worden en veel buitenlanders te vinden zijn. In Amsterdam is deze plek voor een deel van de grachtengordel naar de Zuidas verschoven, nog een “gebied in wording”. Business districten dragen vaak een naam met een geografische aanduiding, zo ook in Amsterdam. Maar van een ruimtelijke as is hier geen sprake anders dan de A10 waar men zich keurig – als er geen files zijn – met 100 km per uur beweegt. Ook van een wederopstanding is hier geen sprake en bijvoorbeeld vertaald naar het Engels klinkt deze naam ( South Axis) niet uitnodigend. Nu deze zakenwijk zich definitief ontvouwt als episch centrum van onze business kan een goede naam niet achterwege uitblijven. Waar een naam de lading dekt ontstaat betere architectuur.

Plan Zuid Berlage met de stedenbouwkundige As naar het Zuidstation