Eeuwenoud en toch innovatief: over kalkhennep en kleefrijst

Soms hoef je om innovatief te zijn alleen maar naar het verleden te kijken, betoogt architect Eugène Franken in zijn column van deze week. Neem nou bio-composieten.

Heeft u zich weleens afgevraagd hoe het mogelijk is dat grote delen van de Chinese muur na duizenden jaren nog fier overeind staan? Wetenschappers wisten al een tijdje dat er een organisch materiaal in de mortel was verwerkt maar pas onlangs werd bekend dat het hier 2 à 3 procent kleefrijst betreft. Dat opmerkelijke ingrediënt maakt dat de gemetselde muur flexibel genoeg is om de enorme temperatuurschommelingen van dag en nacht en de opeenvolgende seizoenen op te vangen. Nog ingenieuzer is het zelfhelend vermogen. Enzymen uit de rijst omhullen de kalkdeeltjes in de mortel. Die verweren pas als ze aan de oppervlakte komen mocht de muur onverhoopt beschadigd raken. De vrijkomende kalk hardt dan uit en herstelt de muur.

Chinese muur met met sticky rice

Zo oud als de wereld


Het bewijst maar weer eens dat bio-composieten zo oud zijn als de wereld en vooral dat ze onvoorstelbaar goed werken. Niet voor niets staan deze materialen de laatste tijd dan ook volop in de belangstelling. Onder meer omdat ze een circulaire manier van bouwen mogelijk maken. Maar zeker ook vanwege hun unieke eigenschappen.

Kalkhennep is ook zo een prachtig voorbeeld. Dit relatief nieuwe materiaal waar de bekende Nederlandse weerman Gerrit Hiemstra als pionier trots zijn huis mee laat bouwen, werd dertig jaar geleden in Frankrijk ontwikkeld voor de restauratie van nota bene vakwerkhuizen. Het is een mengsel van hennepvezels, die van nature silicium bevatten, met hydraulische kalk. De kalk in het mengsel bindt de hennepvezels en conserveert ze.

Sculpturale gevel in kalkhennep

Voor de teelt van hennep zijn ook nog eens geen pesticiden of kunstmest nodig. En dat bij een snelgroeiende plant waarvan alle onderdelen zijn te gebruiken en die zelfs in droge streken gedijt.

Het gerede product legt de basis voor een zeer milieubewuste bio-ecologische bouwmethode. Want kalkhennep is van nature stikstofneutraal en heeft een goede CO2-balans. De opname tijdens de groei van hennep is namelijk groter dan de uitstoot tijdens de teelt en het bouwproces, daarnaast zorgt de kalk voor voortdurende CO2-opname. Na gebruik zijn gebouwonderdelen eenvoudig te verhakselen en uit te strooien over het land. Dan is het weer een prima grondverbeteraar.

Vochtregulerend

Bij toepassing in gebouwen draagt kalkhennep door de efficiënte vochtregulerende werking bij aan een comfortabel en gezond binnenklimaat. Het is ook zeer geschikt om damp-open mee te bouwen. Het is makkelijk te verwerken, het rot niet, het brandt niet, het isoleert als de beste en is door de latente warmtecapaciteit energiebesparend. Het heeft goede geluidsisolerende eigenschappen en last but not least heeft het de potentie om gebouwen mee te gaan 3D-printen.

En oh ja bijna vergeten, je kunt er prachtige sculpturale ontwerpen mee realiseren. De verbouw van industriële hennep was voor de komst van olie- en fossiel gebaseerde grondstoffen wereldwijd heel gewoon en gezien de schier oneindige mogelijkheden met aleen al kalkhennep zal de grootschalige teelt van bouwgewassen voor bio-based materialen dat ongetwijfeld opnieuw weer worden.

EHVXL organiseert draagvlak voor stedelijke vernieuwing

Wanneer een stad zo onstuimig groeit als Eindhoven, moet je een breed draagvlak organiseren onder de bevolking. Daarom richtte Eugene Franken met een aantal gelijkgestemden EHVXL op.

Onlangs heb ik samen met enkele leden van SkyscraperCity de vereniging EHVXL opgericht. EHVXL is een lokaal multimediaplatform dat door middel van publiek debat de grootstedelijke ontwikkelingen in de regio Eindhoven belicht. Het draagt op constructieve wijze in de planvorming bij. Toekomstgericht, met aandacht voor belangrijke actuele maatschappelijke vraagstukken als circulariteit, demografische veranderingen, mobiliteit, klimaatverandering en energietransitie.

Het oprichten van de vereniging EHVXL

Prikkelend commentaar

Dat ging zo: enkele hoogopgeleide jonge mannen van SkyscraperCity , een internetforum gericht op grootstedelijke ontwikkelingen overal ter wereld met 850.000 actieve leden, volgden de ruimtelijke ontwikkeling in Eindhoven al jaren op de voet. Daarbij voortdurend op jacht naar actuele beelden om te posten en te voorzien van prikkelend commentaar. Een debat op hoog niveau voerend. Veruit de meesten hadden geen professionele ruimtelijke achtergrond. En, curieus genoeg, hadden ze elkaar ook nog nooit fysiek ontmoet.

Breed publiek

Uiteraard pikten zij mijn recent verschenen boekje ‘Showing of(f) Eindhoven’ met actuele bouwinitiatieven in Eindhoven’ op. Deze snapshot van een bruisende stad in transitie, die het gewone bijzondere en het bijzondere bijzondere Eindhoven laat zien, is bedoeld om een breed publiek periodiek te informeren over de transformatie van Eindhoven naar de centrumstad van de Brainportregio met 700.000 mensen. In deze opzet zagen zij overeenkomsten met hun eigen ambitie te migreren naar een professioneel open platform. Zo kwamen we met elkaar in contact.

We constateerden dat het draagvlak voor de grootstedelijke ambities van Eindhoven ondervertegenwoordigd is in de publieke discussie. Uit de stad klonk ook steeds luider de behoefte aan meer balans en positiviteit. Daarnaast is er behoefte aan een meer betekenisvolle, transparante inspraak, die niet is dichtgeregeld en ook toekomstige inwoners betrekt. Tot 2040 worden er in Eindhoven 40.000 woningen bijgebouwd. Een aanzienlijk deel daarvan verrijst in het centrum, in de vorm van torens.

Verhaal van allemaal

Als de stedenbouwkundige uitleg van een stad zo ingrijpend verandert dan heeft dat op de zeer lange termijn invloed. Dus moet je een langetermijnvisie ontwikkelen samen met zoveel mogelijk huidige inwoners en toekomstige stakeholders. Dat is in deze tijd van social media en massacommunicatie goed mogelijk. Zeker in een open innovatieve stad, die bezig is te veranderen en waar iedereen bij wil horen. Een vitale aantrekkelijk stad maken is een verhaal van allemaal.

In luttele maanden groeide EHVXL onstuimig. Het platform heeft nu al tientallen contribuanten die hun expertise inzetten. Er ontstaat een invloedrijke beweging met meer dan honderd leden en duizenden volgers. Ik wens iedere stad zijn eigen XL. Blijf niet hangen in een disfunctioneel verleden maar vier de vernieuwing.

Dakparken, een onverwacht gelukkig huwelijk tussen groen en gebouw

Ze ontstressen en verkoelen. Dakparken brengen bijeen wat lang onverenigbaar leek in steden, schrijft architect Eugène Franken in zijn eerste column voor Innovation Origins.

Eugene Franken
Dakpark Rotterdam

Boven op grootschalige stadsontwikkelingen verschijnt steeds vaker een spectaculair groen landschap. Het dakpark is een veelzijdige ruimtelijke vernieuwing die inspeelt op het veranderend klimaat en uitstekend te gebruiken is om de gewenste verdichting van de stad maatschappelijk aanvaardbaar te maken.

Het is een manier om een stad vorm te geven anders dan door ontwikkelingen alleen te te denken in de vorm van gebouwen. De toenemende populariteit ervan bij ontwikkelaars en gebruikers is te verklaren doordat meervoudig grondgebruik een intensiever programma mogelijk maakt. Dat wint niet alleen veel aan charme door de mantel van groen waarmee het is bedekt. Paradoxaal genoeg geeft het ook veel meer dan het neemt.

Dakpark ontspant en ontstrest

Zo heeft verblijven in een groene omgeving een bewezen sterke invloed op de gemoedstoestand. Het ontspant en ontstrest. Onze tijden van corona onderstrepen slechts de toenemende behoefte aan dit soort hoogwaardige publieke plekken, geschikt voor het stedelijk buitenleven. Het toevoegen van substantieel groen aan steden werkt daarnaast verkoelend. Door schaduw en verdamping de gevoelstemperatuur in hete zomers wordt verlaagd. En het is ook nog eens goed voor de biodiversiteit.

Gratis ruimte

Industriële megadaken, eertijds ongebruikt niemandsland, bieden in feite ‘gratis’ ruimte met volop plek voor allerlei functies zoals sport, spel, en vertier. Je kunt er vergaderen en verpozen in een aangenaam verblijfslandschap. Ze zijn fraai om op uit te kijken met als bonus een panoramisch uitzicht. Dat alles zoals het hoort tussen spectaculaire of onverwachte elementen. Kijk maar eens naar het Dakpark Rotterdam met zijn grazende schapen, educatieve moestuinen en als pièce de resistance een watervaltrap.

Het dakpark is een superstructuur die bestaande en nieuwe elementen moeiteloos absorbeert. Onder de pet van het groene tapijt kan er veel. Dakparken hebben samen ook de schaal om echt verschil te maken. Analoog aan de strategie die paus Sixtus V met het plaatsen van obelisken in Rome voor ogen had vormen ze steppingstones die beogen verbanden te leggen en samenhang aan te brengen in de stad door toekomstige veranderingen alvast heel zichtbaar te markeren.

Nieuwe typologie

Dakparken vormen een onverwacht gelukkig huwelijk tussen groen en gebouw, dat bij elkaar brengt wat lang onverenigbaar leek in stedelijke bebouwing. Een nieuwe typologie is geboren. Sterker nog, misschien moeten we de ingesleten gedachte dat een stad vooral gedefinieerd wordt door gebouwen maar eens gaan afleren en voortaan het groen zien als de dominante organiserende laag.

Drijvende zonnepanelen

In het kader van omgevingsvisie en gebiedsontwikkelingsprojecten doen wij onderzoek naar drijvende zonnepanelen.

Drijvende zonnepanelen leveren een hoger rendement dan zonneparken op land door het koelende effect van het water. Ze wekken de stroom op daar waar de vraag is en hebben geen last van de schaarste aan beschikbare (landbouw)gronden. En zijn vaak goed landschappelijk inpasbaar.

Door de koeling van het water en de reflectie van het zonlicht leveren drijvende zonne-energiesystemen circa 14 procent meer energie op. Bovendien houdt het verdamping van de waterbron tegen.


Voorbeelden van drijvende zonne-energiesystemen in Nederland :

Drijvend zonnepark op de zandwinplas in Tynaarlo (Drenthe)
Groenleven in samenwerking met Roelofs Zandwinning

De basis van het drijvende zonnepark wordt gevormd door pontons die met elkaar in verbinding staan en op die manier een groot drijvend zonnepark vormen. Er ontstaat op die manier een golfbestendig vaartuig dat verplaatst kan worden.

Drijvende zonnepanelen op de Slufter, de bedrijven Texel4Trading, Wattco, Sunprojects en Sunfloat hebben drijvende zonnepanelen geïnstalleerd in de Slufter, het depot voor verontreinigde baggerspecie op de Maasvlakte.

Deze proef op de Slufter met drijvende zonne-systemen van het Nationaal Consortium Zon op Water, waarin meer dan 30 partijen vertegenwoordigd zijn, moet aantonen dat drijvende zonnepanelen technisch en economisch haalbaar zijn op wateren met ruige condities.
Bij een succesvolle test kunnen mogelijk 500.000 panelen geplaatst worden met een totaal vermogen van meer dan 100 MWp.

De Slufter is een van de meest zonrijke plekken in Nederland. Het is een ideale plaats voor de opwekking van zonne-energie

Coöperatie Lingewaard Energie realiseert een drijvend zonnepark op het gietwaterbassin in het tuinbouwgebied Next Garden. Het bestaat uit 6.000 zonnepanelen. In het tuinbouwgebied Bergerden biedt het 3,5 hectare groot gietwaterbassin, dat de centrale voorziening van gietwater voor alle tuinders in het gebied verzorgt genoeg ruimte voor drijvende zonnepanelen.

Drijvend zonnepark Lingewaard

Eugène Franken voorspelt voor Innovation Origins hoe de architectuur er over twintig jaar uitziet

“De bouw is een hele archaïsche industrie”, zegt onze nieuwe columnist architect Eugène Franken. In zijn columns zal hij vanaf deze maand schrijven over de architectuur van de toekomst.

Door Emma van Nuland

Eugene Franken met boek Showing of Eindhoven in Fontys gebouw Tu/e

Eugène Franken is al 27 jaar werkzaam bij zijn eigen Architectenburo Franken. Buiten zijn carrière in de architectuur is hij ook werkzaam als secretaris bij Stichting Landgoed Kasteel Geldrop. Met twee boeken op zijn naam heeft hij al de nodige ervaring op het gebied van schrijven. Dit weekend komt zijn eerste column online bij Innovation Origins.

Wanneer begon jouw passie voor architectuur?

“Mijn vader werkte bij een architectenbureau waar hij veel ontwierp voor Philips. Hij werkte allround en hielp ook bij het uitzetten van de bouw. Als klein jongetje mocht ik al met hem mee. Mijn vader was in deze tijd ook al bezig met innovatie. Een groot verschil tussen ons is wel dat mijn vader veel technischer was. Ikzelf ben veel cultureler ingesteld.”

Je hebt al twee boeken geschreven. Het eerste over de geschiedenis van Landgoed Kasteel Geldrop. Je tweede boek Showing Of(f) Eindhoven gaat over architectuur in Eindhoven. Wat vind je het slechtste bouwproject in Eindhoven?

“Een minder project vind ik Parc Fontaine. Dat is een luxe appartementencomplex aan het stadswandelpark. Het slechte aan dit project is de naam. Fontaine was hoofd van groen in Eindhoven. Hij heeft flats in het wandelpark laten bouwen, deze hebben geen eigen tuin maar eigenlijk is het park hun tuin. Hij wilde het park heel graag groen houden. Parc Fontaine gaat hier helemaal niet over. De appartementen hebben onder andere een grote tuin met een hoog hek eromheen. Hiermee raak je het idee van Fontaine compleet kwijt.”

Er is vast ook mooie architectuur in Eindhoven. Wat vind je het beste bouwproject in Eindhoven?

“Veruit het beste project in Eindhoven vind ik de DomusDela. Dit was vroeger de paterskerk. Dit gebouw is van uitvaartbedrijf Dela, het is nu onder andere een ceremoniehuis. Dat is de plek waar Eindhoven is ontstaan. Het is dus een hele belangrijke plek. Het is echt schitterende architectuur met heel veel betekenis. Je moet hier zeker gaan kijken.”

Wat zijn volgens jou momenteel de interessantste innovaties op het gebied van architectuur?

“Het zijn er zo veel maar ik denk vergroening. Een voorbeeld daarvan is dakparken. Je gebruikt dan een plat dak, ruimte die je anders niet zou gebruiken, voor veel groen. Een mooi dakpark is dat in Rotterdam, dat is een van de grootste dakparken van Europa.”

Wat denk jij dat er voor innovaties aankomen binnen architectuur en bouw?

“Ik denk dat globalisering een groot thema zal zijn en robotisering natuurlijk. Bouw is een ontzettend archaïsche industrie. Hoe gebouwen nu in elkaar worden gezet, zo gebeurde dat vijf jaar geleden ook al. Dat gaat niet zo blijven. Er is bijvoorbeeld nog geen fabriek die gebouwen kan fabriceren op grote schaal. 3D-printen zal waarschijnlijk ook verder ontwikkeld worden.”

Een ontwikkeling met betrekking tot 3D-printen en architectuur is gebouwen printen met betonprinters. Denk je dat dit verder ontwikkeld gaat worden?

“Betonprinters werken helemaal niet. Je ziet alle laagjes zitten en er is een flexibiliteit van nul. 3D-printen gaat zich verder ontwikkelen maar niet met beton. Misschien wordt een gevel over twintig jaar wel gewoon geprojecteerd op een huis, dan kan je elke ochtend een nieuwe gevel kiezen. Hout wordt wel herontdekt. Hout is een fantastisch bouwmateriaal. Het houdt bijvoorbeeld CO2 vast. Er wordt momenteel al meer met hout gebouwd maar dit zal steeds meer gaan voorkomen.”

Gaan de ontwikkelingen in de architectuur vooral plaatsvinden rondom materialen?

“Nee, ik denk ook binnen circulair bouwen. Kalk is een voorbeeld. Kalk werkt een beetje hetzelfde als beton, maar als je het afbreekt is het te gebruiken als grondverbeteraar. Er komt natuurlijk ook veel ontwikkeling rondom het bouwproces.”

“Ik ben vaak iemand die voorop loopt. Ik kan nu iets voorspellen wat over twintig jaar waarheid is. Er is nog veel te winnen op het gebied van duurzaamheid en architectuur. Heel veel dingen die duurzaam lijken zijn dat bijvoorbeeld nog niet echt. Binnenkort verschijnt er van mij een column over kleefrijst en kalk als bouwmaterialen, hier zal ik nog niet teveel over verklappen.”

Water in de stad

Naar aanleiding van mijn ingezonden opinie over het belang van de beekdalenstructuur in Eindhoven in het ED en de daaropvolgende discussie in de gemeenteraad van Eindhoven wordt nu onderzocht of de visie op dit punt moet worden aangepast. Lees hieronder het opiniestuk.

Opiniestuk

Volgende week debatteert de gemeenteraad over het plan met de binnenstad. Dat is geen moment te vroeg. De ruimtelijke ontwikkeling van Eindhoven loopt inmiddels flink achter op een stevig gegroeid imago. Een ambitieuze intellectuele verdichtingsvisie voor de binnenstad is dus niet minder dan een godsgeschenk. Wat goed dat deze stad haar nek durft uit te steken.

Nog wel even iets inbouwen om te kunnen evalueren en fine-tunen. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat een dergelijk grote hoeveelheid goed bedoelde tamelijk complexe regels allemaal als vanzelfsprekend het beoogde effect gaan sorteren.

En, wellicht belangrijker, de aandacht voor nieuw en historisch water in de stad ontbreekt, terwijl het juist de beekdalenstructuur is die Eindhoven zo bijzonder maakt.

Dit beeld uit masterplan Van Gogh Nationaal Park illustreert de beekdalenstructuur van het Brabants landschap

Eindhoven is onderdeel van het unieke Brabantse bekenlandschap met letterlijk om de paar 100 meter een beekdal. Dat landschap definieert heel Brabant en Eindhoven in het bijzonder, met de Kleine Dommel, de Dommel, de Tongelreep, de Rundgraaf, de Run en de Gender. Bovendien is Eindhoven ontstaan aan de samenvloeiing van de Gender en de Dommel, daar waar in de prehistorie een doorwaadbare plaats was.

Kaart van Jacob van Deventer omstreeks 1560 met linksboven de Gender

Later in de middeleeuwen is de Gender vergraven om water in de stad te krijgen. Hoe modern was dat! Op de prachtige kaart van Jacob Van Deventer zie je dan ook heel duidelijk een omgrachtte stad met de Gender stromend over de Markt.

Kaart uit bouwhistorisch rapport Steenhuis Meurs met linksboven de Gender

Bij de herinrichting van de Vestdijk is men helaas vergeten de gracht terug te brengen. In het Victoriapark komt de Gender wel glorieus boven water, maar bij de verdere reconstructie kiest men onbegrijpelijkerwijs niet voor de historische locatie en ook niet voor een natuurlijke inpassing. Als we niet opletten stroomt de Gender straks in goten en buizen anoniem heuvelop over de Stationsweg zonder dat een discussie is gevoerd over de voordelen van het terugbrengen van dat levende water op zijn historische plek in het centrum. Het dossier Heuvelgalerie bijvoorbeeld krijgt met de Gender een hele andere dimensie die waarschijnlijk een betere stad oplevert, met klimaattechnische voordelen en het gevoel van een stad met historie versterkend.

Eindhoven: Emmasingelkwadrant | Page 34 | SkyscraperCity
Reconstructie van de meanderende Gender in het Victoriapark
Afbeelding
Voorstel inpassing Gender op de Stationsweg

Kansen voor Geldrop als Kasteeldorp

Zo schreef ik 8 jaar geleden in het Eindhovens Dagblad. En ze zijn er nog steeds.
Lees hieronder het artikel.

Logo Landgoed Kasteel Geldrop
Logo Landgoed Kasteel Geldrop

Er zijn mogelijkheden om de verbinding tussen centrum en kasteel te versterken, maar Geldrop mag niet lichtzinnig omspringen met zijn monumenten.

Het herijkte Centrumplan van Geldrop beoogt het centrum meer te betrekken bij het kasteelterrein. Het stelt daartoe ingrepen voor in het kasteelpark. De kasteeltuin grenzend aan de Mierloseweg, de zogenaamde ‘Engelse tuin’, is een rijksmonument waarvan wettelijk gezien niet zomaar delen kunnen worden afgesnoept en waarin geen veranderingen kunnen worden aangebracht zonder dat de historische context daarbij een belangrijke rol speelt. Uitgangspunt van de bescherming is de situatie rond 1870, die nu grotendeels nog intact is.

Ik kan me niet voorstellen dat Geldrop lichtzinnig wil omgaan met een van zijn schaarse rijksmonumenten. Kasteel Geldrop is in velerlei opzichten al uitstekend en onlosmakelijk verbonden met het dorp. Maar het kan natuurlijk altijd beter.

Luister ook de podcast over Kasteeldorp Geldrop

Het meer willen betrekken van het kasteel bij het dorpscentrum in het kader van gebiedsontwikkeling roept wel enkele vragen op, met name betreffende de vormgeving. Belangrijk is te begrijpen hoe deze relatie ruimtelijk gezien is geëvolueerd. In de loop der eeuwen hebben zich grote veranderingen voorgedaan. Onder meer de sloop van de Donjon in 1840, die middels een laan rechtstreeks verbonden was met de Heuvel. Het kasteelterrein was toen ook vele malen groter. Inmiddels zijn hier nieuwe wegen aangelegd en ontsluitingen gewijzigd.

Ingrijpende veranderingen aan terrein en gebouwen door Hubertus Paulus Hoevenaar in de negentiende eeuw hebben de nu rijksbeschermde ‘Engelse tuin’ opgeleverd. In essentie is dit een privé-tuin waarvan de beslotenheid een belangrijk kenmerk is.

Er zijn dus in de historie zowel aanleidingen te vinden voor een vorm van herstel van een ruimtelijke verbinding als voor het tegendeel. Van belang is in ieder geval een deskundige, zorgvuldige en integrale benadering van deze problematiek. Kansen liggen er in overvloed. Vooral als het kasteelterrein en de omliggende gebieden in samenhang worden gezien. Niet alleen de relatie van het kasteelterrein met het centrum in brede zin, maar ook die van het kasteelpark met de weilanden aan de oostelijke oever van de Kleine Dommel en de inrichting van het Dommeldal als geheel zijn dan van belang. Zowel richting centrum als richting Eindhovensch Kanaal.

Het versterken van natuurwaarden en herstel van het beekdallandschap kan plaatsvinden, terwijl tegelijkertijd wandel- en fietsverbindingen tot stand komen waarbij ontsluitingen van het kasteelterrein naar dorpscentrum en wijken worden verbeterd.

Door het ontwerpen van een meer samenhangend gebied kan het beheer deels extensiever en dus efficiënter plaatsvinden. Ook kunnen de gebruiksmogelijkheden van het kasteelpark en omgeving verder worden versterkt en uitgebreid. Daarnaast kunnen investeringen in nieuwe functies in dit gebied met als ankerpunt de typologie en het karakter van het huidige landgoed de gemeentebegroting ontlasten en het kasteel als organisatie sterker maken.

Tenslotte. Na honderdvijftig jaar is de ‘Engelse tuin’ dringend aan restauratie toe. Naar aanleiding hiervan is reeds in 2009 gestart met een intensief programma om te komen tot een integrale visie en een restauratie- en beheerplan voor het hele park.

Bij het opstellen hiervan zijn vele deskundigen van onder andere de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, waterschap, provincie, gemeente en monumentencommissie betrokken. Recentelijk heeft de landschapsarchitect het restauratieontwerp opgeleverd. Een uitstekende basis om samen toe te werken naar een afgewogen plan dat de identiteit van Geldrop als kasteeldorp echt verbetert.


Door Eugène Franken, secretaris van de Stichting Kasteel Geldrop

Expert in Eindhoven


Enkele verzamelde observaties en ideeën naar aanleiding van de expertmeeting over de verdichtingsvisie van de binnenstad in Eindhoven.

Expertmeeting met  supervisor Winy Maas, rijksbouwmeester Floris Alkemade, EHVXL, erfgoedstichtingen, ondergetekende en anderen
Expertmeeting met supervisor Winy Maas, rijksbouwmeester Floris Alkemade, EHVXL, erfgoedstichtingen, ondergetekende en anderen

Het is hartstikke leuk om voor een expertmeeting uitgenodigd te worden. In zekere zin ben je expert doordat je binnen je eigen vakgebied actief bent en kennis hebt van de stad op microniveau, maar in feite kijk je van buiten af naar een tamelijk complex proces, hoe de stad groeit, zich ontwikkelt en hoe je daar enigszins grip op kan krijgen en richting aan kan geven.

Bij de bij de bijeenkomst georganiseerd door het Architectuurcentrum in het Natlab waar de plannen voor het VDMA terrein werden besproken werd vertelt dat voor deze exemplarische tender teams van tientallen specialisten jaren lang eigenlijk op dagelijkse basis met zo’n plan bezig zijn het is dan nogal pretentieus denk ik om om dat uit de losse pols eventjes te becommentariëren. Nog afgezien van het feit dat ook bij de gemeente en de research afdelingen van MVRDV en andere adviseurs natuurlijk heel veel kennis aanwezig is.

Het plan voor het VDMA terrein © OMA Diederendirriks Delva
Het plan voor het VDMA terrein © OMA Diederendirriks Delva

Ontwerpers hebben de verantwoordelijkheid om niet alleen vorm en functie samen te brengen, maar ook om plaatsen te maken die betekenisvol zijn voor mensen. Ruimtes waar netwerken zich kunnen ontwikkelen en waar mensen verbinding kunnen maken. Het is goed om te zien dat het in het geval van VDMA niet alleen over winkels, retail en horeca gaat maar met name over typisch Eindhovense voorzieningen, mensen en met elkaar samenleven. Je vraagt je haast af of er wel voldoende programma is om alles op deze ambitieuze wijze te blijven vullen. Hoe dan ook, in ieder geval gaan dergelijke nieuwe vormen zeker weer nieuwe markten creëren. Ik wil maar zeggen, je hebt hart voor de stad waarin je bent opgegroeid en waarin je woont en werkt en die je kent en dus ben je gemotiveerd om een bijdrage te leveren. Maar vanuit enige bescheidenheid en niet zozeer op detailniveau maar meer in algemene zin.

cover boek showing of(f) eindhoven

Bij de research voor mijn boek Showing of(f) Eindhoven heb ik veel mensen gesproken die zich met de stad bezighouden.
Ook heb ik vrijwel alle openbare bijeenkomsten denk ik die rond dit thema zijn georganiseerd bijgewoond. Inspiratie-bijeenkomsten, stadsgesprekken, politieke thema-avonden, het openbaar college van Fontys, etc. Daar is informatie uitgekomen waar Eindhoven haar voordeel mee kan doen en daarvan wil ik graag – met permissie een beetje van de hak op de tak springend – een aantal zaken met u delen.

Lector Cees Jan Pen
Cees Jan Pen Fontys Lector van het lectoraat De Ondernemende Regio tijdens het openbaar college

Het viel mij bijvoorbeeld op dat het niet lukt op de huidige wijze de mening en de gedachtes van professionals op te halen.
In alle gesprekken die ik had met met professionals uit het veld blijkt dat er veel behoefte is om mee te helpen, mee te denken vanuit een oprechte verknochtheid aan de stad. En dat men op zoek is naar een naar een manier om de Eindhovense inbreng te kanaliseren. Als je naar de bijeenkomsten kijkt, bijvoorbeeld die van het ACE, die speciaal voor de professionals was georganiseerd en zeer druk werd bezocht, dan krijg je daar eerst de briljante audiovisuele waterval van Winny Maas voor de kiezen, hartstikke interessant, knap en onnavolgbaar. Maar tegelijkertijd zonder vervolg. Want er ontstaat geen discussie, het blijft bij algemeenheden, wat oud zeer komt ter tafel en enkele waarderende woorden worden gesproken, maar bepaald geen diepgravende reflecties en dat kan natuurlijk ook helemaal niet, want ja, hoe moet je nou op op al die informatie die je voor de eerste keer ziet meteen een passend antwoord hebben.
Als je informatie van professionals uit de stad wil ophalen en daar ook echt iets mee wil doen zou dat niet anders te organiseren zijn? Structureler wellicht, met een voor- en een na-traject.

Een ander ding is dat te beluisteren is dat al die bijeenkomst voor de bühne zijn, ‘omdat het nu eenmaal moet’ , ‘er komen veelal dezelfde mensen’ – wat niet mijn indruk is overigens – ‘de meeste mensen in de stad maakt het toch niet zoveel uit, het interesseert ze niet ’Ook veel gezucht bij het vallen van de namen van de Stichting Wederopbouw en de Henri van Abbe-stichting. Dat kan ik me wel voorstellen, maar toch. Zelf vraag ik me wel af, gezien de prominente rol die deze stichtingen in allerlei bijeenkomsten met de gemeente spelen, hoe groot hun achterban eigenlijk is, welk deel van de Eindhovense bevolking vertegenwoordigen ze? En is er wel voldoende ruimte voor een ander geluid. Want bij een aantal bijeenkomsten was men vooral erg positief gestemd waarbij de teneur er een was van ‘Wanneer beginnen we’.

Samenspraak
Het is uiteraard van groot belang wanneer de stad ingrijpend gaat veranderen, waarbij dat in het geval van de stedenbouwkundige uitleg op lange termijn blijvend invloed gaat hebben, dat je dan stakeholders betrekt. Maar wie zijn de stakeholders? En hoe betrek je ze, hoe geef je ze een betekenisvolle rol in het proces? En hoe zit het met de regie over en het managen van dit proces zowel op korte als op lange termijn.
Neem bijvoorbeeld de casus Stadhuisplein, waarbij het op zich een uitstekend idee is het gebied in samenhang te ontwikkelen. Zijn het dan vooral de bewoners van de Groot Paradijs die stakeholder zijn? Hoelang woont iemand op zo‘n plek, de meesten verhuizen statistisch gezien binnen niet al te lange tijd. In hoeverre is het dan verstandig hun inbreng heel zwaar te laten wegen? Zouden de toekomstige bewoners niet een minstens zo grote stem moeten hebben? En de rest van de stad? Je zou denken in deze tijd van social media en massacommunicatie het toch mogelijk moet zijn daarvoor een modus te bedenken. Zeker bij een thema als je eigen stad waar iedereen mee bezig is, iedereen bij wil horen en uniek voor het open en innovatieve Eindhoven, men staat daarbij niet tegenover elkaar maar men werkt vooral samen.

Iconen
Eindhoven heeft met het Evoluon en de Lichttoren al iconen. Maar toch is het toevoegen van nieuwe iconen zinvol. Daar zitten meerdere aspecten aan. Een moderne icoon kan het nieuwige ding zijn waar de van Rossems langs gaan als ze een stad aandoen. Instagrammable is het woord. Maar daarnaast ook een programmatische, stedenbouwkundige en economische betekenis hebben.
Naar mijn idee is een ultieme selfieplek zoals -The Vessel – in New York, of het vlak daarbij in aanbouw zijnde park Pier 55 van hetzelfde Studio Heatherwick, waarbij het deelnemende publiek zelf een onlosmakelijk onderdeel van de beleving is, een interessante toevoeging aan het centrum van Eindhoven, naast alle andere. Ook de plannen voor het Stadhuisplein zijn op te vatten in deze iconisch zin. ‘This Is Eindhoven’.

The Vessel New York
The Vessel New York

In datzelfde kader is een 50 meter opgevijzelde Catharinakerk stadskerk ook goed te plaatsen.
Daarbij is dat concept uniek, het bestaat nog nergens anders, alleen al dat monopolie maakt het begerenswaardig. Het heeft ook een soort DWDD kwaliteit, je kunt je er vreselijk aan ergeren maar je blijft wel kijken. De interpretatie als ambitieuze variant op het thema “freilegen”maakt het dan weer stedenbouwkundig interessant. Tip : Doe het opvijzelen tergend langzaam zodat het net zoals de bouw van de Sagrada Familia een eeuwigdurend spektakel is.

Opgetilde Catharinakerk
De opgetilde Catharinakerk

In New York is zoals bekend niet elke wolkenkrabber een Icoon. De hele verzameling aan wolkenkrabbers dan weer wel. In Eindhoven is het nu mogelijk te kiezen voor een stadseigen dispositie van hoge gebouwen. Die discussie wordt naar mijn idee met onvoldoende scherpte gevoerd. Het lijkt alsof toeval een tamelijk grote rol speelt waarbij het vrijblijvende ‘We streven naar’ te veel voorkomt in het visiedocument ook op cruciale onderwerpen zoals de Plint.

Pinus Sylvestris City
Benoem niet alleen het Eindhovens karakter zoals de rondweg, de horizontale ‘grosskörper’ en de sterke stad -land relatie met de beekdalen maar gebruik en versterk deze inheemse elementen meer dan nu het geval is. Zo is Eindhoven hard op weg om de grove-den-hoofdstad van de wereld te worden – Pinus Sylvestris City – , dat is uitstekende manier om in het mozaïek verband aan te brengen. Daarbij, in Eindhoven zit de natuur tussen de bebouwing en de bedrijventerreinen in, fiets en wandelpaden fungeren letterlijk als verbinding. In die natuur kun je wellicht bomen planten om als bouwmateriaal te oogsten in de toekomst, en de stad op te vatten als landgoed.

Pinus Sylvestris City
De heringerichte Vestdijk met grove dennen

Water in de stad
In dat licht pleit ik voor het terugbrengen van ‘levend’ water in het Centrum. Eindhoven is ontstaan aan de samenvloeiing van Gender en Dommel. De samenvloeiing van deze riviertjes op hun historische plek is van belang. De Gender stroomde echt niet over de Stationsweg. Is het niet beter dat water daar dan anders te benoemen? En is de Gender bijvoorbeeld niet te gebruiken bij het dossier Heuvelgalerie. En zou daarnaast het water van de voormalige grachten bovengronds in beeld bij de reconstructie van de Vestdijk en binnenring niet een extra laag kunnen toevoegen?

Oorspronkelijk liep het riviertje de Gender over de markt in het centrum van Eindhoven

Daarbij komt dat winkels nu nog samen met horeca het hart van de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van binnensteden vormen. Maar als binnen 10 jaar nog maar weinig binnensteden in Nederland relevant genoeg zijn om voor je plezier te gaan winkelen dan kan de verbinding met water een rol spelen bij de transitie van sommige winkelstraten en winkelcentra naar pluriforme stadsstraten.
In een land als Nederland waar de ruimte schaars is moet je de derde dimensie benutten. Het gaat daarbij meer over verdichten dan over hoogbouw. Nog simpeler gesteld gaat het gewoon om het creëren van een fijne omgeving om in te wonen werken en recreëren. Het lijkt zinvol daarbij niet alles vol te plannen maar ruimte te laten voor spontane ontwikkelingen. Idee: Reserveer daar in het licht van de snel veranderende mobiliteit en ontwikkelingen als de 15 minuten stad – waarbij alle noodzakelijke voorzieningen zich op maximaal die afstand lopen bevinden – bijvoorbeeld een gedeelte van de 56% van Eindhoven die nu in gebruik is als
infrastructuur voor.

Gedachtenexperiment
Denk op willekeurige foto van het centrum in Eindhoven de hoge gebouwen weg en wat blijft er dan over? Het beste antwoord dat ik tot nu toe op op deze vraag hoorde is: “Ik twijfel tussen Dommel en rommel”.


Ik hoop hiermee een opbouwende bijdrage te leveren waarbij het denk ik je rol als sparringpartner is om de discussie scherp te voeren.

Met vriendelijke groet,
Eugène Franken